zigeunerachtig

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zi·geu·ner·ach·tig
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen zigeunerachtig
verbogen zigeunerachtige

Bijvoeglijk naamwoord

zigeunerachtig

  1. op een zigeuner gelijkend
    • Hij zag er zigeunerachtig uit, maar ik geloof niet dat hij een Roma was. 
  2. aan het zigeunerleven herinnerend
    • Hij maakte een einde aan zijn zigeunerachtige leventje en stortte zich op zijn carrière. 

Gangbaarheid