zekerlijk

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ze·ker·lijk
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

zekerlijk

  1. het uitkomen verzekerend
    • Dat is zekerlijk wat gebeuren zal. 

Gangbaarheid

31 % van de Nederlanders;
32 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be