verdoen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·doen
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van doen met het voorvoegsel ver-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verdoen
verdeed
verdaan
onregelmatig volledig

Werkwoord

verdoen

  1. overgankelijk nutteloos besteden, verkwanselen, verspillen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be