verdijen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·dij·en
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

verdijen [2]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verdijen
verdijde
verdijd
zwak -d volledig
  1. zweren dat men iets niet gaat doen
  2. weigeren iets te doen, vertikken, weigeren

Gangbaarheid

38 % van de Nederlanders;
41 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen