vervoeging
onbepaalde wijs to  tolerate 
he/she/it  tolerates 
verleden tijd  tolerated 
voltooid
deelwoord
 tolerated 
onvoltooid
deelwoord
 tolerating 
gebiedende wijs  tolerate 

tolerate

  1. gedogen, dulden toestaan, tolereren
    «He tolerated no pranks.»
    Hij duldde geen kwaaie streken.
  2. verdragen
    «The patient did not tolerate this new medication.»
    De patiënt verdroeg de nieuwe medicijnen niet.