tezelfdertijd

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·zelf·der·tijd
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

tezelfdertijd

  1. geeft een gebeurtenis aan die in hetzelfde tijdvak plaatsvindt
    • Hij is student, maar tezelfdertijd is hij in de politiek actief. 

Gangbaarheid

70 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be