omkleed

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·kleed
Woordherkomst en -opbouw
  • vervoeging van omkleden: de stam zonder -d omdat de stam al op -d eindigt en zonder ge- vanwege voorvoegsel

Werkwoord

vervoeging van
omkleden

omklééd

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van omkleden
    • Ik omkleed. 
  2. gebiedende wijs van omkleden
    • Omkleed! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van omkleden
    • Omkleed je? 
vervoeging van: omkleden…
verbogen vorm: omkleede

omklééd

  1. voltooid deelwoord van omkleden
Verwante begrippen

Werkwoord

vervoeging van
omkleden

ómkleed

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van omkleden
    • ... dat ik ómkleed.