• knib·be·laars

de knibbelaarsmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord knibbelaar
     Dat Couperus een fabelachtig talent had, zal wel niemand ontkennen; evenmin, dat zijn talent zeer persoonlijk en voor Holland ‘einmalig’ was; maar dat alles is nog geen verklaring voor zijn wereldnaam, en Van Booven geeft nergens die verklaring, omdat hij, ‘aan de voeten van de meester’ zittend, geen problemen kent en slechts voortdurend polemiseert met Netscher en andere verouderde knibbelaars, die een bestrijding al lang niet meer verdienen.[1]
  1.   Weblink bron In gesprek met de vorigen : Tachtiger, meer dan Tachtiger (31 december 1933) in:
    Menno ter Braak (red. M. van Crevel e.a.)
    Verzameld werk. Deel 4. (1951), G.A. van Oorschot, Amsterdam, p. 78/79