• frui·ta·ri·er
  • Samenstelling van fruit met het quasi-Duitse achtervoegsel -ariër
enkelvoud meervoud
naamwoord fruitariër fruitariërs
verkleinwoord fruitariërtje fruitariërtjes

de fruitariërm

  1. iemand die zich uitsluitend voedt met fruit en andere eetbare voortbrengselen van planten, die geoogst kunnen worden zonder de desbetreffende plant te doden of te beschadigen.