Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fris·heid
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van fris en met het achtervoegsel -heid
enkelvoud meervoud
naamwoord frisheid frisheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

frisheid v [1]

  1. jong, nieuw en nog niet vervallen of vermoeid
    • Straks gaat ze op tournee met het repertoire van deze cd. Hoe behoudt ze dan haar frisheid en geloofwaardigheid? „Concerten zijn vooral vermoeiend door de omvang. Ik zing meestal acht à tien aria’s achter elkaar – twee uur muziek, netto. Ook theatraal zijn concerten zwaar. Je moet zonder kostuums of decors de illusie tot leven wekken. De ene minuut ben je Assepoester, dan weer de koningin. Dat is ook het leuke – het zingend verhalen vertellen. En ik zal zeker niet altijd hetzelfde hoeven zingen. Maria telt 79 minuten muziek, meer paste niet op één cd. Maar Malibran zong natuurlijk veel meer interessant repertoire. Daaruit put ik voor de concerten.”[2] 
  2. verkoelend
    • De heerlijke frisheid van een duik in het heldere koele water na een dag zweten in de hete zon maakte alles weer goed. 
  3. niet muf
    • En op de rand van ons bad stond altijd een gezinsflacon Fa: met de wilde frisheid van limoenen. In de tv-reclame spetterde een mooie blote vrouw door de golven en daar werd ik als puber erg ongemakkelijk van. Ik geloof dat het op die leeftijd zo ongeveer mijn grootste ambitie was om net zo mooi te worden als de mevrouw in de Fa-reclame. En net zo wild en fris.[3] 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Mischa Spel 13 september 2007
  3. NRC Roos Ouwehand 9 maart 2011
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be