estheet

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • es·theet
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kunstgevoelige’ voor het eerst aangetroffen in 1950 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord estheet estheten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

estheet m

  1. voor schoonheid en kunst gevoelig persoon

Gangbaarheid

65 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen