dispatch

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dis·patch
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Engels [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord dispatch dispatches
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dispatch v/m [2]

  1. het laden en lossen van vracht; verwerking van een lading

Werkwoord

vervoeging van
dispatchen

dispatch

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dispatchen
    • Ik dispatch. 
  2. gebiedende wijs van dispatchen
    • Dispatch! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dispatchen
    • Dispatch je? 

Gangbaarheid

Verwijzingen