binnendoor

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bin·nen·door
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

binnendoor [1]

  1. via een binnenweg of een doorgang binnenshuis

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen