wiederholen

Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • wie·der·ho·len
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wiederholen
[viːdɐˈhoːlən]
wiederholte
[viːdɐˈhoːltə]
wiederholt
[viːdɐˈhoːlt]
volledig

Werkwoord

wiederholen

  1. overgankelijk herhalen
    «Könnten Sie das bitte wiederholen
    Kunt u dat alstublieft herhalen?