• tul·len
  • tul met uitgang -en

de tullenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord tul
26 % van de Nederlanders;
30 % van de Vlamingen.[1]
  1.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be