primaatje

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pri·ma·tje

Zelfstandig naamwoord

primaatje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord prima
Woordafbreking
  • pri·maat·je

Zelfstandig naamwoord

primaatje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord primaat