Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • prang

Werkwoord

vervoeging van
prangen

prang

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van prangen
    • Ik prang. 
  2. gebiedende wijs van prangen
    • Prang! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van prangen
    • Prang je? 

Gangbaarheid

71 % van de Nederlanders;
68 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be