Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pa·neer

Werkwoord

vervoeging van
paneren

paneer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van paneren
    • Ik paneer. 
  2. gebiedende wijs van paneren
    • Paneer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van paneren
    • Paneer je?