• ont·sto·ren

ontstoren [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontstoren
ontstoorde
ontstoord
zwak -d volledig
  1. ontdoen van storing; verwijderen van iets dat hindert of stoort
     De boom staat op een punt waar energielijnen samenkomen. Zo'n plek ontstoren had de boom misschien kunnen redden. "Maar misschien ook niet", zegt Kragt.[2]
     Daarnaast kunnen de barstjes in de verf vaak voor weerspiegelingen zorgen als een schilderij wordt gefotografeerd, aldus de Rembrandt-kenner. Die spiegelingen kan je als het ware “ontstoren”.[3]
63 % van de Nederlanders;
58 % van de Vlamingen.[4]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2.   Weblink bron “Joke wist dat bliksem oude lollyboom zou vellen” (28-06-2011), Tubantia
  3.   Weblink bron “RAI toont reproducties van 350 Rembrandts in originele staat” (13 mei 2019), Het Parool
  4.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be