knutselt

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • knut·selt

Werkwoord

vervoeging van
knutselen

knutselt

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knutselen
    • Jij knutselt. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knutselen
    • Hij knutselt. 
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van knutselen
    • Knutselt!