statten

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stat·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
statten
statte
gestat
zwak -t volledig

Werkwoord

statten

  1. inergatief de stad ingaan om er te gaan winkelen of er anderszins aangenaam de tijd door te brengen
    • Zij hebben weer eens lekker gestat. 

Werkwoord

vervoeging van
statten

statten

  1. meervoud verleden tijd van statten
    • Wij statten. 
    • Jullie statten. 
    • Zij statten. 

Gangbaarheid

18 % van de Nederlanders;
14 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be