• stat·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
statten
statte
gestat
zwak -t volledig

statten

  1. inergatief de stad ingaan om er te gaan winkelen of er anderszins aangenaam de tijd door te brengen
    • Zij hebben weer eens lekker gestat. 
vervoeging van
statten

statten

  1. meervoud verleden tijd van statten
    • Wij statten. 
    • Jullie statten. 
    • Zij statten. 
18 % van de Nederlanders;
14 % van de Vlamingen.[1]
  1.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be