spitser

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spit·ser

Bijvoeglijk naamwoord

spitser

  1. onverbogen vorm van de vergrotende trap van spits

Gangbaarheid

75 % van de Nederlanders;
72 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be