noordelijkte

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • noor·de·lijk·te

Werkwoord

vervoeging van
noordelijken

noordelijkte

  1. enkelvoud verleden tijd van noordelijken
    • Ik noordelijkte. 
    • Jij noordelijkte. 
    • Hij, zij, het noordelijkte. 

Gangbaarheid