ingrepen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·gre·pen

Zelfstandig naamwoord

ingrepen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord ingreep

Werkwoord

vervoeging van
ingrijpen

ingrepen

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van ingrijpen
    • ...dat wij ingrepen. 
    • ...dat jullie ingrepen. 
    • ...dat zij ingrepen.