finaliseerden

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fi·na·li·seer·den

Werkwoord

vervoeging van
finaliseren

finaliseerden

  1. meervoud verleden tijd van finaliseren
    • Wij finaliseerden. 
    • Jullie finaliseerden. 
    • Zij finaliseerden. 

Gangbaarheid