• de·po·neer·de
vervoeging van
deponeren

deponeerde

  1. enkelvoud verleden tijd van deponeren
    • Ik deponeerde. 
    • Jij deponeerde. 
    • Hij, zij, het deponeerde. 
     Denise hield in elke hand een bord met daarop restjes kaas, toast en worst. In vier stappen overbrugde zij de afstand tot de afvalbak en deponeerde de overblijfselen erin.[1]