• IPA: /bʲii̯ʊ/
  • bi·ju

biju

  1. eerste persoon enkelvoud aantonende wijs van biś
  2. derde persoon meervoud aantonende wijs van biś
  1. bijom


  • bi·ju

biju

  1. eerste persoon enkelvoud aantonende wijs van bić


  • bi·ju

biju

  1. eerste persoon enkelvoud aantonende wijs van het imperfectieve werkwoord bít