Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·wies

Werkwoord

vervoeging van
bewassen

bewies

  1. enkelvoud verleden tijd van bewassen
    • Ik bewies. 
    • Jij bewies. 
    • Hij, zij, het bewies. 

Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

bewies

  1. bewijs; datgene wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vast (kan) leggen


Veluws

Zelfstandig naamwoord

bewies

  1. bewijs; datgene wat de juistheid van een bewering onweerlegbaar vast (kan) leggen