beplakte

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·plak·te

Werkwoord

vervoeging van
beplakken

beplakte

  1. enkelvoud verleden tijd van beplakken
    • Ik beplakte. 
    • Jij beplakte. 
    • Hij, zij, het beplakte. 
  2. verbogen vorm van beplakt, voltooid deelwoord van beplakken