bedroeg

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·droeg

Werkwoord

vervoeging van
bedragen

bedroeg

  1. enkelvoud verleden tijd van bedragen
    • Ik bedroeg. 
    • Jij bedroeg. 
    • Hij, zij, het bedroeg. 
     De afstand tot de groep bedroeg nog dertig meter, toen plotseling een hysterische stem in zijn hoofd schreeuwde: ‘Waar zijn de kinderen? ’[1]

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer  All-inclusive”   (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2