bakerpraatje

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·ker·praat·je

Zelfstandig naamwoord

bakerpraatje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord bakerpraat

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
61 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be