• ar·res·teert
vervoeging van
arresteren

arresteert

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van arresteren
    • Jij arresteert. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van arresteren
    • Hij arresteert. 
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van arresteren
    • Arresteert!