• mee·ge·niet
vervoeging van
meegenieten

meegeniet

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van meegenieten
    • ... dat ik meegeniet. 
  2. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van meegenieten
    • ... dat jij meegeniet. 
  3. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van meegenieten
    • ... dat hij meegeniet.