Hoofdmenu openen

Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord afrigter afrigters

Zelfstandig naamwoord

afrigter

  1. (sport) trainer
    «In 2004 is du Randt deur die nuwe afrigter Jake White vir die Springbokke gekies.»
    In 2004 is Du Randt door de nieuwe trainer Jake White gekozen voor de Springbokken.