Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·vriest

Werkwoord

vervoeging van
aanvriezen

aanvriest

  1. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanvriezen
    • ... dat jij aanvriest. 
  2. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanvriezen
    • ... dat hij aanvriest. 

Gangbaarheid