Gewijzigd op 5 apr 2012 om 12:20

inbraak

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·braak
enkelvoud meervoud
naamwoord inbraak inbraken
verkleinwoord inbraakje inbraakjes

Zelfstandig naamwoord

inbraak m

  1. het zich onbevoegd toegang verschaffen tot een gebouw
    Het aantal inbraken in deze wijk is erg hoog.