Gewijzigd op 27 jan 2015 om 12:02

inbraak

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·braak
enkelvoud meervoud
naamwoord inbraak inbraken
verkleinwoord inbraakje inbraakjes

Zelfstandig naamwoord

inbraak m

  1. het zich onbevoegd toegang verschaffen tot een gebouw
    Het aantal inbraken in deze wijk is erg hoog.