zonshoogte

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zons·hoog·te
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zonshoogte zonshoogten
zonshoogtes
verkleinwoord zonshoogtetje zonshoogtetjes

Zelfstandig naamwoord

zonshoogte v

  1. (astronomie) de hoogte van de zon boven de horizon
    • De stuurmansleerling moest met de sextant de maximale zonshoogte bepalen en op het juiste moment "stop" roepen. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid