zetgang


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zet·gang
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zetgang zetgangen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zetgang m [1]

  1. (scheepvaart) zware plank die in de lengte richting van een schip loopt aan de binnenkant van de romp
     zetgang, z.n.m. – 1°. Losse plank, die men op lage vaartuigen boven langs ’t boord inzet. 2°. Gang, die op het barghout en rahout tegen de buitenoppervlakte der inhouten wordt geplaatst.[2]
Synoniemen

Gangbaarheid

45 % van de Nederlanders;
34 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2.   Weblink bron Jacob van Lennep   “Zeemans-woordenboek” ((1856)), DBNL
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be