zetangel

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zet·an·gel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zetangel zetangels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zetangel m [1]

  1. (visserij) gereedschap dat men gebruikt voor de paling- en snoekvangst
  2. (visserij) vishaak die men gebruikt voor de paling- en snoekvangst

Gangbaarheid

17 % van de Nederlanders;
26 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen