zekeren

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ze·ke·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van zeker ?? met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zekeren
zekerde
gezekerd
zwak -d volledig

Werkwoord

zekeren

  1. het touw waarmee iemand klimt op een veilige manier vasthouden
    • Als je zekert moet je altijd goed op blijven letten. 
     Ik was blij dat ik ook mijn ijsbijl bij me had waarmee ik me, indien nodig, kon zekeren en een nieuw spoor door de sneeuw kon maken.[1]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be