zaaisel

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zaai·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zaaisel zaaisels
verkleinwoord zaaiseltje zaaiseltjes

Zelfstandig naamwoord

zaaisel o

  1. het reeds gezaaide zaad
    • Het zaaisel nestelde zich in de grond. 

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be