zaaikoren

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zaai·ko·ren
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zaaikoren -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zaaikoren o

  1. het koren dat bestemd en/of gebruikt wordt voor het zaaien
    • Er was dit jaar een veel grotere vraag naar zaaikoren. 

Gangbaarheid

59 % van de Nederlanders;
73 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be