zaaigraan

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zaai·graan
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zaaigraan zaaigranen
verkleinwoord zaaigraantje zaaigraantjes

Zelfstandig naamwoord

zaaigraan o

  1. graan dat bedoeld is om te zaaien
    • Er was dit jaar een grotere vraag naar zaaigraan. 

Gangbaarheid

71 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be