woonplek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • woon·plek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord woonplek woonplekken
verkleinwoord woonplekje woonplekjes

Zelfstandig naamwoord

woonplek v / m

  1. plaats waar men kan wonen
     Aan de sluiting van verzorgingshuizen worden twaalf regels besteed, maar daarin wordt het verdwijnen van deze voorziening uitsluitend beschreven als een (kwantitatief) verlies van woonplekken. Terwijl de formule van deze woon-zorgvoorziening juist uniek was: geen scheiding van wonen en zorg, maar juist integratie daarvan.[1]

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Noud Engelen “Kwetsbare ouderen hebben beschermde woonomgeving nodig” (14 februari 2020), Trouw
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be