witglas


Nederlands

 
witglas
Uitspraak
Woordafbreking
  • wit·glas
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord witglas
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

witglas o [1]

  1. ondoorzichtig, wit gekleurd glas
    • Schoenenzaak Sooco aan de Langestraat heeft de moed opgegeven het glas-in-lood te vervangen. Gezien de kosten is gekozen voor het goedkopere witglas. [2] 
    • De spiegels zijn gemaakt van witglas, gecoat met zilver. [3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia 10-10-10, Arcade stadhuis stinkende hangplek
  3. NRC Marieke ten KatenBas van Kooij 5 oktober 2015 Dit is het grootste zonne-energiepark ter wereld
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be