willoos

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wil·loos
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van wil met het achtervoegsel -loos
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen willoos willozer willoost
verbogen willoze willozere willooste
partitief willoos willozers -

Bijvoeglijk naamwoord

willoos

  1. zonder willoos
    • De junk was een willoos slachtoffer van zijn eigen verslaving. 

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be