weetgraag

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • weet·graag
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen weetgraag weetgrager weetgraagst
verbogen weetgrage weetgragere weetgraagste
partitief weetgraags weetgragers -

Bijvoeglijk naamwoord

weetgraag

  1. erg verlangend om kennis op te doen
    • Zij was een weetgraag meisje dat veel las en verrassende vragen kon stellen. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

64 % van de Nederlanders;
69 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen