vrijgevig

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vrij·ge·vig
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van vrij en de stam van geven met het achtervoegsel -ig [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen vrijgevig vrijgeviger vrijgevigst
verbogen vrijgevige vrijgevigere vrijgevigste
partitief vrijgevigs vrijgevigers -

Bijvoeglijk naamwoord

vrijgevig

  1. gul
    • Dat is een vrijgevig persoon; hij gaf veel aan de liefdadigheidsinstantie. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen