vormeloos

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vor·me·loos
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van vorm met het invoegsel -e- met het achtervoegsel -loos
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen vormeloos vormelozer vormeloost
verbogen vormeloze vormelozere vormelooste
partitief vormeloos vormelozers -

Bijvoeglijk naamwoord

vormeloos

  1. zonder vorm
    • De oude vrouw had zich in een vormeloze jurk gehesen. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be