• voort·bren·gen

voortbrengen [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
voortbrengen
bracht voort
voortgebracht
zwak -cht volledig
  1. maken, produceren, doen ontstaan
    • De piano bracht vreselijk valse tonen voort. 
dat moet geld voortbrengen
99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]